Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering betreffende groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie ex artikel 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht door predikant Oud Gereformeerde Mieraskerk te Krimpen aan den IJssel afgewezen.

 

Daargelaten of de uitlatingen van beklaagde als beledigend voor mensen met een homoseksuele gerichtheid gelezen kunnen worden, kan uit de context waarin de gewraakte uitlatingen zijn gedaan worden opgemaakt dat deze louter zijn te beschouwen als een weergave van de geloofsopvatting van beklaagde. Gelet op de gekozen bewoordingen zijn de uitlatingen naar het oordeel van het hof ook niet als onnodig grievend aan te merken.

Jurisprudentie ECLI:NL:GHDHA:2022:488 – Gerechtshof Den Haag, 30-03-2022 / K20/220624
Subtype Uitspraak
Instantie Gerechtshof Den Haag
Bron Raad voor de Rechtspraak
Vindplaats Rechtspraak.nl, http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2022:488
Datum 30-03-2022

 

Tekst

 

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

 

BESCHIKKING

 

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingediend door:

 

[naam klager],

 

klager,

 

bijgestaan door zijn raadsman mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam.

 

 

1Het beklag

 

Het klaagschrift is op 16 november 2020 door het hof ontvangen. Middels een op 27 mei 2021 bij het hof ingekomen brief heeft klager het klaagschrift aangevuld.

 

Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Rotterdam om [naam beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen ter zake van groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie.

 

Voor het verloop van de procedure en hetgeen eerder in deze zaak is voorgevallen, verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 2 augustus 2021 met bijbehorend proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op

28 juli 2021.

 

 

2Het verslag van de advocaat-generaal

 

Bij verslag van 2 december 2020 heeft de advocaat-generaal het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

 

 

3De stukken betreffende het beklag

 

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van het in deze zaak door de politie opgemaakte proces-verbaal van aangifte van klager d.d. 5 april 2020 en van de op 7 februari 2022 bij het hof ingekomen, door de raadsman van beklaagde toegezonden schriftelijke zienswijze van beklaagde.

 

4De feiten en standpunten

 

Klager heeft op 5 april 2020 bij de politie tegen beklaagde aangifte gedaan ter zake van groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie, gepleegd op

16 maart 2020.

 

Klager verklaart in zijn aangifte dat hij zich gediscrimineerd voelt door uitlatingen van [naam beklaagde], predikant bij de [naam kerk] te [naam gemeente], beklaagde. Beklaagde heeft in zijn hoedanigheid van predikant van genoemde kerk in verband met het rondwaren van het coronavirus op 16 maart 2020 een brief geschreven aan het gemeentebestuur en de gemeenteraad van [naam gemeente], waarin hij enkele in de aangifte nader aangegeven uitlatingen doet die volgens klager discriminerend van aard zijn en die oproepen tot haat jegens homoseksuelen. Met name de zinsnede: “De roepende zonden die tegen de scheppingsorde indruisen, dienen uitgebannen” ervaart klager, die zelf homoseksueel en voorvechter van het LHBTI-beleid is, als uitermate kwetsend en discriminerend. Aangezien beklaagdes brief is gericht aan de politiek in [naam gemeente] kan beklaagde volgens klager niet anders bedoelen dan dat hij wil dat de gemeente de regels zodanig aanpast dat homoseksuelen uit [naam gemeente] worden geweerd.

 

Als een van de directe gevolgen van de brief van beklaagde zijn klager en een fotograaf van het Algemeen Dagblad op

2 april 2020 door een van beklaagdes volgelingen geïntimideerd en bedreigd. Zij werden daarbij uitgemaakt voor “vieze homo’s”, “vuile flikkers”, ze moesten “opzouten” en er werden middelvingers naar hen opgestoken. Door de onderhavige situatie hebben klager en zijn echtgenoot zich voorts gedwongen gezien naar een andere gemeente te verhuizen.

 

De officier van justitie heeft besloten beklaagde niet te vervolgen en stelt in dat verband dat er geen sprake is van strafbare uitlatingen op grond van enig wetsartikel.

De aangifte van klager is daarbij beoordeeld op basis van de artikelen 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan de hand van een zogenaamd driestappen-plan. Bij brief van 15 september 2020 is klager van deze beslissing in kennis gesteld.

 

 

 

 

Klager stelt zich in het klaagschrift op het standpunt dat de uitlatingen van beklaagde beledigend zijn en dat deze, ook al zijn deze gedaan in de context van diens geloofsopvatting, onnodig grievend zijn en derhalve strafbaar zijn.

 

 

5De behandeling in raadkamer

 

De meervoudige beklagkamer heeft het klaagschrift – nadat de behandeling bij tussenbeschikking van 2 augustus 2021 is aangehouden teneinde het onderhavige klaagschrift gelijktijdig te behandelen met het klaagschrift van klager [naam tweede klager], alsmede teneinde beklaagde in raadkamer te horen – op 16 februari 2022 in raadkamer verder behandeld.

 

Op de nadere zitting is deze zaak gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met het klaagschrift van klager

[naam tweede klager].

 

Aan mevrouw mr. K. Azghay, kantoorgenoot van de raadsman van beklaagde, is bijzondere toegang verleend de behandeling in raadkamer bij te wonen.

 

Beklaagde en zijn raadsman mr. I.P. de Groot, advocaat te Rotterdam, zijn – in aanwezigheid van mr. G. Spong,

mr. D. Uygul-van Dam en mr. K. Azghay en buiten aanwezigheid van klagers – gehoord. De raadsman van beklaagde heeft het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen.

 

De advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol heeft in raadkamer

– overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag – het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

 

Klager en zijn raadsman zijn verschenen. De raadsman van klager heeft – in aanwezigheid van klager [naam tweede klager] en diens gemachtigde mr. D. Uygul-van Dam, beklaagde, de raadsman van beklaagde en diens kantoorgenoot mr. Azghay – in reactie op het advies van de advocaat-generaal het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities.

 

 

6Ontvankelijkheid van het beklag

 

Alvorens tot een inhoudelijke toetsing van het beklag te kunnen overgaan, dient het hof te beoordelen of klager ontvankelijk is in het beklag.

Daarbij komt eerst aan de orde de vraag of klager kan worden beschouwd als een rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12, eerste lid, Sv.

 

Beklaagde heeft zich op grond van de in de op voorhand aan het hof toegezonden schriftelijke zienswijze aangevoerde feiten en omstandigheden, alsmede ter zitting in raadkamer op het standpunt gesteld dat klager niet als zodanig kan worden aangemerkt en dat klager om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het onderhavige beklag.

 

Ingevolge artikel 12 Sv kan een rechtstreeks belanghebbende schriftelijk beklag doen indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd. Volgens de wettekst en vaste rechtspraak wordt onder rechtstreeks belang verstaan een objectief bepaalbaar en specifiek eigen belang van klager. Een ieder wordt geacht belang te hebben bij naleving van de strafwet, maar dat argument is onvoldoende om als rechtstreeks belang als bedoeld in de wet aan te merken en klager ontvankelijk te doen zijn.

 

Na bestudering van de stukken en gehoord hetgeen ter zitting in raadkamer door en namens beklaagde naar voren is gebracht, constateert het hof dat de brief van beklaagde niet slechts ziet op homoseksuele gerichtheid of LHBTI-ers. Het betreft elk gedrag in strijd met de scheppingsorde – en daarmee: zondig gedrag -, waaraan in de visie van beklaagde een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking zich schuldig maakt. Een en ander zou betekenen dat een groot deel van de Nederlandse bevolking een klacht ex artikel 12 Sv zou kunnen indienen hetgeen de reikwijdte van het begrip van rechtstreeks belanghebbende te buiten gaat.

 

Het hof stelt vast dat klager ten tijde van het door beklaagde versturen van de gewraakte brief aan het bestuur en de gemeenteraad van [naam gemeente] inwoner van die gemeente was. Klager stelt dat de inhoud van de brief een van de redenen was dat hij en zijn partner zich niet langer welkom en veilig voelden in [naam gemeente] en dat zij om die reden naar een andere gemeente zijn verhuisd. Alles afwegende, waaronder de door klager aangevoerde verhuizing, is het hof van oordeel dat klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in het onderhavige beklag.

 

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat klager ontvankelijk is in zijn beklag.

 

7De beoordeling van het beklag

 

Ter beoordeling staat thans de vraag of de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen op goede gronden is genomen.

 

Groepsbelediging ex artikel 137c Sr en het aanzetten tot haat en discriminatie ex artikel 137d Sr

 

Voor een bewezenverklaring van de feiten als bedoeld in de artikelen 137c en 137d Sr dient er te zijn voldaan aan het bestanddeel van openbaarheid. Door en namens beklaagde is aangevoerd dat het nooit zijn bedoeling is geweest dat zijn brief in de openbaarheid zou komen en dat hij hiermee, gelet op het door hem gekozen middel en gelet op de geadresseerde, in redelijkheid ook geen rekening hoefde te houden.

 

Het hof wil aannemen dat beklaagde niet bewust voor de openbaarheid heeft gekozen. Door zijn brief naar de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te sturen moest beklaagde er naar het oordeel van het hof echter rekening mee houden dat de inhoud van die brief ter kennis zou komen van anderen dan degenen tot wie de uitlatingen rechtstreeks waren gericht, bijvoorbeeld door agendering en opvolgende bespreking van de brief in een vergadering van de gemeenteraad. Daarmee is aan het bestanddeel van openbaarheid in de zin van de artikelen 137c en 137d Sr voldaan.

 

Ten aanzien van het verwijt inzake groepsbelediging oordeelt het hof als volgt. Daargelaten of de uitlatingen van beklaagde als beledigend voor mensen met een homoseksuele gerichtheid gelezen kunnen worden, is het hof van oordeel dat de uitlatingen geen strafbare groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr opleveren.

Het hof neemt daarbij ten eerste de context in aanmerking waarbinnen de uitlatingen zijn gedaan. De alinea waarin de bewuste passage is opgenomen, luidt als volgt: “Van de kant van de overheid mogen we ook wat verwachten. Haar regeren dient weer geheel afgestemd te worden op Gods wil en wet. De overheid dient God te erkennen en de afgodstempels af te breken en de duivelsdienst niet toe te laten. Zij behoort een voedsterheer van Gods kerk op aarde te zijn. Haar abortusbeleid dient drastisch veranderd te worden. Het leven in prille aanvang verdient alle bescherming. De praktijk van euthanasie moet ophouden, de zondag niet langer ontheiligd, de roepende zonden die tegen de scheppingsorde indruisen, dienen uitgebannen. De overheid dient het volk zelf voor te gaan in de ware godsdienst. Zo niet, dan zullen wij en zij een zwaarder oordeel over ons uitroepen.”

 

De bewuste zinsnede over ‘de roepende zonden die tegen de scheppingsorde indruisen’ maakt onderdeel uit van een opsomming van een aantal rechten en vrijheden in de huidige Nederlandse wetgeving waaraan beklaagde zich stoort en die hij kennelijk als oorzaak ziet voor de Corona-pandemie. Daarbij gaat het om de bestaande abortuswetgeving en -praktijk, de euthanasiewetgeving en

-praktijk, de wetgeving inzake winkelsluiting en al hetgeen klager ziet als het ‘indruisen tegen de scheppingsorde’.

 

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat klager met dit laatste – naast de reeds genoemde elementen – doelt op echtscheiding, het hebben van seks voor het huwelijk, het hebben van seks tussen mannen of vrouwen onderling, het klonen van mensen, het vreemdgaan en het begeren (ook al is het slechts met de ogen) van een ander dan met wie je gehuwd bent. Uit deze context maakt het hof op dat de passage louter te beschouwen is als een weergave van de geloofsopvatting van klager.

 

Het hof heeft daarnaast ook acht geslagen op de gekozen bewoordingen. De zinsnede ‘de roepende zonden die tegen de scheppingsorde indruisen, dienen uitgebannen’ is naar het oordeel van het hof niet als onnodig grievend aan te merken.

 

Ten aanzien van het verwijt inzake aanzetten tot haat of discriminatie oordeelt het hof als volgt. Daargelaten of de uitlatingen van beklaagde op zichzelf kunnen worden gelezen als een aanzetten tot haat jegens of discriminatie van mensen met een homoseksuele gerichtheid, is het hof van oordeel dat de uitlatingen geen strafbaar feit in de zin van artikel 137d Sr opleveren. Het hof neemt daarbij

– met overeenkomstige toepassing van hetgeen hiervoor is overwogen over artikel 137c Sr – de context in aanmerking waarbinnen de uitlatingen zijn gedaan, alsmede de gekozen bewoordingen, die naar het oordeel van het hof niet als onnodig grievend kunnen worden aangemerkt.

 

Het deelnemen aan en/of steunen van discriminerende activiteiten ex artikel 137f Sr

 

Voor zover de raadsman van klager ter zitting in raadkamer van 16 februari 2022 heeft aangevoerd dat het handelen van beklaagde tevens valt te brengen onder de delictsomschrijving van artikel 137f Sr overweegt het hof

dat nu dit feit niet in de aangifte en de sepotbeslissing is betrokken dit buiten de reikwijdte van de onderhavige procedure valt.

 

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag dient te worden afgewezen.

 

 

8De beslissing

 

Het hof:

 

Wijst het beklag af.

 

 

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 30 maart 2022 door

mr. P.J. van der Flier, voorzitter, mr. T.E. van der Spoel en mr. Th.P.L. Bot, leden, in tegenwoordigheid van

mr. C.W. Kuiper-van den Haak, griffier, en is wegens afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier.